Nederlandse Stichting voor Wijsgerig Pragmatisme
Tweede NSWP-pragmatismedag 25 april 2008

De actualiteit van het pragmatisme



Het Centrum voor de Studie van de Verlichting en van het Hedendaagse Humanisme organiseerde in samenwerking met de Nederlandse Stichting voor Wijsgerig Pragmatisme op vrijdag 25 april 2008 aan de Vrije Universiteit Brussel de Tweede Pragmatismedag. Het centrale thema was ‘De actualiteit van het pragmatisme’.


De verfrissende smaak van oude wijn in nieuwe zakken – Over de actualiteit van het pragmatisme



Congresverslag van de tweede NSWP Pragmatismedag. Vrije Universiteit Brussel, 25 april 2008



On the pragmatic side we have only one edition of the universe, unfinished, growing in all sorts of places, especially in the places where thinking beings are at work.
William JAMES, Pragmatism

De Nederlandse Stichting voor Wijsgerig Pragmatisme (NSWP) gaat op haar elan verder. De vorige congressen en studiedagen, respectievelijk over het pragmatisme als filosofie van de toekomst en over de verschillende facetten van het pragmatisch onderzoek in Nederland en Vlaanderen, vonden in de tweede NSWP Pragmatismedag een soort van culminatiepunt: vanuit verschillende pragmatistische auteurs en strekkingen werden bijzonder scherpe en actuele analyses gemaakt van hedendaagse problemen en hoe deze aan te pakken.

Marc Van den Bossche (VUB), organisator van deze studiedag, had zich voorgenomen de actualiteit van het pragmatisme aan de orde te stellen. Dit thema kon op twee manieren ingevuld worden. Enerzijds wenste hij het belang benadrukt te zien van een pragmatistische benadering van enkele actuele problemen of thema’s: multiculturalisme, globalisering, de dialoog tussen religies, het humanisme… In deze lezingen hoefde het niet noodzakelijk te gaan om het zorgvuldig uitvlooien van teksten van de grote pragmatistische auteurs. Belangrijk was eerder te tonen hoe een pragmatistische attitude tegenover de genoemde thema’s momenteel een grote plausibiliteit kan hebben. Anderzijds kon in de lezingen natuurlijk ook nagegaan worden hoe we vanuit teksten van Dewey, James, Schiller, Rorty, Putnam en tutti quanti brandende kwesties uit de actualiteit kunnen benaderen. Om die dag nog meer kracht bij te zetten werd een samenwerking aangegaan met het Centrum voor de Studie van de Verlichting en het Hedendaagse Humanisme (VUB).

Op die bewuste dag werd de organisatie overweldigd door het aantal inschrijvingen. Het pragmatisme blijkt de nodige interesse los te weken, zowel bij studenten als bij onderzoekers. In de voormiddag stonden een aantal langere lezingen geprogrammeerd in de Promotiezaal Herman Corijn. De namiddagsessies zouden geopend worden door Rein Gerritsen, gevolgd door een aantal kortere lezingen.

Verlichting en pragmatisme
De samenwerking met het Centrum voor de Studie van de Verlichting en het Hedendaagse Humanisme was weloverwogen. Niet alleen is het bundelen van krachten handig bij het organiseren van zulke trefmomenten – ook inhoudelijk is er tussen de Verlichting, in engere historische zin, en het pragmatisme een aantal verbanden te bespeuren. Daarbij refereren we onder andere aan de artikels van Robert B. Brandom: When Philosophy paints it Blue on Gray: Irony and the Pragmatist Enlightenment (2002) en The Pragmatist Enlightenment (and its Problematic Semantics) uit 2004. In dat laatstgenoemde artikel schrijft Brandom het volgende – tegen de mening van sommigen in dat het klassieke Amerikaanse pragmatisme een parochiaal en inconsequent filosofietje zou zijn: “[But] classical American pragmatism can also be seen differently, as a movement of world historical significance – as the announcement, commencement, and first formulation of the fighting faith of a second Enlightenment.” (Brandom, 2004, 2). Daarnaast is er ook de tekst van Hilary Putnam Enlightenment and Pragmatism (2001) die werd gepubliceerd naar aanleiding van het feit dat hem de Spinoza Leerstoel werd toegekend, waarin hij een pragmatische (voornamelijk deweyaanse) opvatting van de Verlichting (of breder, het verlichtingsdenken) propageert (Putnam, 2001, 7-8).

Uiteraard kan er geen sprake zijn van een volledige gelijkschakeling van beide tendensen, maar verbanden en gelijkaardige invalshoeken zijn er zeker vast te stellen. In haar welkomstwoord haalde Else Walravens (VUB), directrice van het Centrum voor de Studie van de Verlichting en het Hedendaagse Humanisme, deze en andere mogelijke verbanden, alsook verschillen kort aan.

Heidegger, Gadamer en het pragmatisme van John Dewey
Na de officiële opening door Else Walravens nam Marc Van den Bossche het woord om het te hebben over de uitgangspunten van deze internationale studiedag: de actualiteit van het pragmatisme. Tegelijkertijd liet hij ook zijn eigen pragmatistische visie doorschemeren. Van den Bossche pleitte namelijk voor een andere kijk op en een ander verstaan van de dingen. Geen eenzijdige kijk, geen verstaan dat zich afsluit voor de ander (een gesprek voor dovemansoren dus) maar een echte, eigenlijke dialoog. Het is een kritiek op een groot deel van de westerse wijsbegeerte, alwaar de eigen subjectiviteit, het eigen standpunt zeg maar, als alleenzaligmakend wordt beschouwd. Een dialoog wordt dan algauw niet meer dan de confrontatie van twee monologen, waarbij de ene de andere uiteindelijk hoopt te overtuigen, of, meer nog, tracht te breken. Bij denkers als Heidegger en later in de hermeneutiek van Hans-Georg Gadamer ziet Van den Bossche mogelijkheden om uit zulke eenkenningheid te ontsnappen. Maar ook in het pragmatisme vindt hij blijkbaar de nodige invalshoeken. Zou het mogelijk zijn beiden aan te wenden in een kritiek op dat westerse subjectivisme? In een recent artikel van zijn hand meent Van den Bossche dat dit moet kunnen: “Het hedendaagse pragmatisme zou op die manier wel eens een en ander kunnen leren van het heideggeriaanse denken van het zijn en van de Daseinsanalyse in Zijn en tijd en zo toch ook trouw blijven aan wat John Dewey zelf voor ogen had.” (Van den Bossche, 2007, 194)

Over de ethische dimensie van alledaagse dingen
Als hoofdspreker tijdens de voormiddagsessies stond Ann Meskens geprogrammeerd en ook zij had het over een andere manier van kijken naar de dingen. En dat mag nogal letterlijk worden genomen. Haar lezing droeg immers de titel Over veiligheidsgordels, afwasmachines en oude keukentafels. De ethische dimensie van alledaagse dingen.

‘Dingen’... zoals keukentafels, haarborstels, een Playstation II en wat dies meer zij... worden die dingen mee opgenomen in het discours van de wijsgeren? In de ethische reflectie? Nochtans worden filosofen, net als iedereen (een filosoof is ook maar een mens) geconfronteerd met die dingen: zij worden erdoor belemmerd, gefrustreerd en uitgedaagd, verrijkt of verarmd. Zij stelt zich dan ook de vraag waarom er niet meer over ‘dingen’ werd en wordt gereflecteerd. Wijsgerige verontachtzaming noemt zij dat. In haar boek Eindelijk buiten. Filosofische stadswandelingen komt onder andere deze problematiek aan bod. Als uitgangspunt van haar lezing formuleerde zij het als volgt: kunnen we leren spreken over de vrijheid van de Homo Ludens in Playstation II, de aanhankelijkheid aan een trouwe afwasmachine, het ontgoochelingsgehalte van touwtjesschoenen in de regen, of de troost te drinken uit een kom met die oeroude vorm die in je handen past?

De problematiek rond de religie
The only novelty that I can imagine this course of lectures to possess lies in the breadth of the appercieving mass. I may succeed in discussing religious experiences in a wider context than has been usual in univeristy courses.
William James, 1987, 31

Rein Gerritsen mocht na de lunch onmiddellijk als hoofdspreker de namiddagsessies op gang trappen. Vooreerst gaf hij een korte uiteenzetting over de Nederlandse Stichting voor Wijsgerig Pragmatisme: wat tracht zij te doen en wat zijn de plannen. Dit korte vertoog ging naadloos over in zijn lezing over religie en het actuele atheïsmedebat. Religie, wie gelooft er nog in? Over de onzinnigheid van manifesten werd een lezing die door velen werd gesmaakt en gekenmerkt werd door een enorme belezenheid en kennis van zaken (niet alleen aangaande het pragmatisme). Blijkbaar zal deze studiedag voor Gerritsen geen windeieren leggen, want zijn voordracht was ondertussen uitgegroeid tot de omvang van een vrij lijvig boek en naar eigen zeggen staan verschillende uitgeverijen klaar om het boek later te publiceren. De afwezigen hadden ongelijk, want de toehoorders kregen in avant-première een stuk uit deze toekomstige publicatie voorgeschoteld.

De centrale vraag luidde: waar staan we als pragmatisten tegenwoordig in dit heftig oplaaiende atheïsmedebat? Het antwoord is recht voor de raap, maar desalniettemin doorspekt met nuances. Stellen we ons eerst en vooral de vraag wat de context van dat atheïsmedebat is. Het valt moeilijk te ontkennen dat we heden een ware explosie kennen van pamfletten, sermoenen, manifesten en andere onzaligheden, daar waar het over religie en/of atheïsme gaat. In 1995 was er de publicatie van Herman Philipses Atheïstisch Manifest – Drie wijsgerige opstellen over godsdienst en moraal (in 2004 reeds aan zijn vijfde druk toe en ondertussen uitgebreid met De onredelijkheid van religie – Vier wijsgerige opstellen over godsdienst en wetenschap). Recentelijk noteren we ook de ‘nouvelle vague’ van het atheïsme, met bestsellers als The End of Faith – Religion, Terror and the Future of Reason (2004) en Letter to a Christian Nation (2006) van Sam Harris, Traité d’Athéologie – Physique de la Métaphysique (2005) van Michel Onfray, Richard Dawkins’ The God Delusion (2006), Daniel C. Dennetts Breaking the Spell – Religion as a Natural Phenomenon (2006) en het polemische god is not Great – How Religion Poisons Everything van Christopher Hitchens uit 2007. Gregory Peterson benoemt deze tendens in zijn artikel uit 2007 ‘the new atheism’. Maar ook de gelovigen moeten niet in productiviteit onderdoen. Ook zij hebben een aardig handje weg van het schrijven van pamfletten en schotschriften. McGrath (The Dawkins delusion? Atheist fundamentalism and the denial of the divine, 2007), Fuller, Haught (God and the new atheism. A critical response to Dakwins, Harris and Hitchens, 2008) proberen volgens Gerritsen al even hard te keer te gaan als de voorgenoemde atheïsten, maar ook dat blijkt praat voor de vaak. De pragmatist (Gerritsen op kop) weigert zich te laten opsluiten in één van deze kampen en zal wroeten in hun vooronderstelling en een bemiddelende positie innemen.

Cruciaal daarbij is dat de vertegenwoordigers van beide kanten elkaar te lijf gaan vertrekkende van verkeerde premissen en allebei goed voorzien van een portie hoogmoed. De meer ‘wetenschappelijke’ denkers wensen de religie (bij uitbreiding religiositeit en de religieuze ervaringen) te weerleggen aan de hand van hun wetenschappelijk wereldbeeld. De voorstanders van het religieuze willen het wetenschappelijke wereldbeeld weerleggen gebaseerd op vaste en specifieke religieuze ervaringen. Daarbij is er echter wel een probleem: er bestaan geen specifieke religieuze ervaringen... Zulke ervaringen, door James bestudeerd in zijn Varieties of Religious Experience – A Study in Human Nature zijn niet meer of niet minder dan menselijke ervaring, punt, andere lijn. Waar Gerritsen dus sterk op duidt – en dit punt zal welllicht in zijn boek verder worden uitgewerkt – is dat zowel de nieuwe atheïsten als de meer traditionele verdedigers van het religieuze hun strijd uitvoeren op het niveau van theorieën, maar schromelijk voorbij gaan aan de concrete ervaringen van individuen. Het stuk waaraan Gerritsen niet toekwam wegens het beperkte tijdsbestek – maar opnieuw, dit zal worden uitgewerkt in het boek – is zijn pleidooi voor een derde verlichting. Opnieuw worden pragmatisme en een zeker verlichtingsdenken (of beter: denken in de geest van de verlichting) met elkaar verweven.

Internet pragmatisch bekeken
Opmerkelijk was de dynamische en zeer intrigerende lezing van Yoni Van Den Eede (VUB) getiteld Internet: Rorty’s “conversation of mankind” of Heideggers “Gerede” – Een pragmatistische kijk op nieuwe informatietechnologie. Daarmee werden de aanwezigen opnieuw getrakteerd op een uiterst actueel verschijnsel: nieuwe (en virtuele) media en informatietechnologie en hoe daarmee om te gaan.

Van Den Eede betoogde dat het internet er alles van weg heeft om door een pragmatist ontworpen te zijn: geen centraal ‘kenniscentrum’ (dat geldt voor het ganse internet, maar denk bijvoorbeeld in het bijzonder aan zoiets als Wikipedia), het internet is bovendien conversationeel en nooit echt af. ‘The conversation of mankind’ waarmee Rorty zijn visie op filosofie en kennisverwerving omschrijft lijkt in het bijzonder ook van toepassing op het internet: er wordt de klok rond geconverseerd (chatrooms), niemand maakt echt aanspraak op ultieme autoriteit en door middel van verschillende soorten van – soms extreem populaire – community-sites (zoals Facebook, Hi5...) of weblogs doen miljoenen mensen aan het ‘zichzelf herbeschrijven’, op quasi-dagelijkse basis.

Heideggers ‘Gerede’ geeft anderzijds een iets minder optimistische visie van het internet. De alledaagsheid waarin het Dasein zich meestal bevindt loopt parallel met ‘gepraat’ en ‘gebabbel’, voortdurend circulerende meningen, nergens blijven bij stilstaan... Ook dat is van toepassing op het internet: men surft van de ene webpage naar de andere en een website kan bij wijze van spreken van de ene minuut op de andere zowel van vorm als van inhoud veranderen.

Van Den Eede trachtte de visie van Rorty en Heidegger (zeg maar de optimistische versus de meer nihilistische) te nuanceren aan de hand van Marshall McLuhan, een denker die thans weer in de belangstelling staat. Ongetwijfeld spreekt het in het voordeel van het pragmatisme dat het ook op deze zeer nieuwe (immer evoluerende) technologie(ën) een actuele reflectie kan bieden.

Real-worldproblems en transdisciplinair probleemoplossend denken
Maar men kan met het pragmatisme nóg dichter bij de menselijke problemen treden en ermee aan de slag gaan. Dat bewees Bart Libbrecht (VUB) met zijn voordracht Transdisciplinair probleemoplossend denken – Een benadering aan de hand van het pragmatisme van Susan Haack. Want alhoewel het religie-/atheïsmedebat een zeer innemende problematiek is die de frisse wind van het pragmatisme zeker verdient, en alhoewel de hypermoderne technologische ontwikkelingen vragen om een actuele en to-the-point wijsgerige analyse, toch zijn er ook bijzonder concrete problemen die dagdagelijks in het leven van honderden mensen bepalend zijn. Neem het voorbeeld van de nachtvluchten. Concreet komt het hierop neer dat er in een specifiek gedeelte van ons Belgenlandje vele mensen uit hun slaap worden gehouden door de aanhoudende nachtvluchten, georganiseerd door koerierbedrijven als DHL. Typisch voor dit – en vele andere hedendaagse moeilijkheden – is dat er hier verschillende partijen (door Libbrecht omschreven als ‘stake-holders’, belanghebbenden) tegenover elkaar komen te staan. Het probleem is voor allen duidelijk: de nachtvluchten. Maar allen benaderen ze dit op een andere manier, omdat hun belangen, hun achtergronden en de daarmee gepaardgaande waarheden die zij hanteren, van elkaar verschillen. De inwoners van de gemeenten om en rond de luchthaven wensen natuurlijk een normale nachtrust, ergo, de nachtvluchten moeten drastisch worden teruggeschroefd, een andere route kiezen of, in het meest uitgesproken geval, worden afgeschaft. Probleem voor DHL, want indien de nachtvluchten worden teruggeschroefd, betekent dit een economisch verlies (werknemers verliezen hun baan...). Uiteraard is de problematiek nog veel ingewikkelder dan dit en zijn er nog veel meer stake-holders in dit verhaal, maar Libbrecht stelt duidelijk dat dit probleem niet vanuit een monolitische waarheid moet worden onderzocht, maar veeleer een transdisciplinaire aanpak vereist. De transdisciplinaraire aanpak, die Libbrecht wenst te stoelen op Haacks pragmatisme, gaat kijken naar de epistemologische fundamenten van de verschillende belanghebbenden, die, zoals reeds uitgelegd, zullen leiden tot divergerende waarheden. Een kant en klare oplossing kan Libbrecht niet formuleren, maar in zijn uiteenzetting – die op heel wat bijval en interesse mocht rekenen – wist hij duidelijk te maken dat het verschil zou kunnen gemaakt worden door, gebaseerd op Haacks foundherentism, de verschillende belanghebbenden te wijzen op hun vooronderstellingen, hun achtergronden en de manier waarop zij hun kennis en waarheden aanmaken. Daarbij zou ook moeten duidelijk gemaakt worden dat die waarheden steeds gradueel en temporeel zijn. Er wordt duidelijk gezocht naar een midden tussen extreem relativisme en dogmatisme.

Horizontalisering in het moreel onderzoek
Diezelfde tendens weerklonk in de lezing van Tom Viaene (Penn State University, UGent), maar dan binnen het domein van de moraalfilosofie. Uitgaand van een open universum, dat wil zeggen, van een wereld waarin geen enkele a priori waarheid kan behouden worden en waardoor dus elke waarheid steeds een tijdelijke waarheid is, heeft ook de moraalfilosofie en de ethische reflectie te baten bij een pragmatische instelling. In zijn bijdrage, getiteld Het pragmatisme en de verwachtingen van het moreel onderzoek. Pleidooi voor het historische in het werk van Abraham Edel en Joseph Margolis, werd een lans gebroken voor een moraalfilosofie die meer rekening tracht te houden met het historische, het veranderlijke (de morele verandering) en het contextualistische. Daarbij lijkt het vooral van cruciaal belang dat men het moreel onderzoek niet tracht te ‘verticaliseren’, met andere woorden, dat men geen tijdloze fundering tracht te vinden, vermits zulke tijdloze, ahistorische fundamenten volgens Edel en Margolis leiden tot arrogantie en dogma’s. Pleiten voor meer bescheidenheid is dientengevolge pleiten voor een horizontale aanpak bij het bestuderen van morele probleemsituaties; dit wil zeggen, een toename van verschillende perspectieven op het probleem en een zo groot mogelijke verbreding van de invalshoek, in plaats van het zoeken naar een universele en ahistorische, verticale benadering. Edel en Margolis gaan dan ook op zoek naar een moraalfilosofie die verandering toestaat. Viaene trachtte na te gaan wat zulks kan betekenen en wat de consequenties daarvan zijn.

Kunst, ervaring en pragmatisme. Opheffing van subject/object in de kunst
When Dewey writes about art, he is writing about the means of overcoming debilitating dualisms – the splits within experience that tend to make it either chaotic, on the one side, or rigid and repetitious, on the other.
Hickman, 1998, xiii

Dat het pragmatisme brede toepassingsgebieden kent, werd op de vorige congressen van de NSWP reeds bewezen, maar ook op deze studiedag ontbrak het niet aan verschillende invalshoeken: religie, moraalfilosofie, informatietechnologie... Hein van Dongen voegde er nog een ander domein aan toe. In de slotlezing had hij het over Kunst als ervaring. Over de esthetica van John Dewey. Van Dongen houdt zich thans bezig met het raakvlak tussen filosofie en architectuur en onder andere John Dewey lijkt daarbij een bron van inspiratie.

Dewey heeft met zijn Art as Experience een boek afgeleverd dat nog steeds een eigentijdse en verfrissende kijk geeft op kunst en uitnodigt om kunst te ervaren, of, beter nog, om kunst als ervaring te beschouwen. Want inderdaad, aangaande de kunst, zoals de titel van van Dongens lezing suggereert, draait het vooral om de ervaring. Een esthetische ervaring is een ervaring die ons losrukt uit het gewone en de gewoonte. Typerend daarbij is dat het vooral gaat om de opheffing van het onderscheid tussen subject en object. In een esthetische ervaring vervagen beider grenzen en kan men dus spreken van een ‘volle ervaring’. Door deze specificiteit, door deze volle ervaring, gaat het individu ook veranderd uit deze ervaring komen. Bijzonder intrigerend hierbij is dat van Dongen aantoonde dat Dewey dit ook wel eens vergelijkt met religieuze ervaringen. In zijn reflecties over de religie tracht Dewey ook de vastgelopen discussies omtrent religiositeit en theologie los te trekken door de religieuze ervaring te emanciperen: “The actual religious quality in the experience described is the effect produced, the better adjustment to life and its conditions, not the manner and cause of its production.” (Dewey, 1991 ,14) schrijft hij in A Common Faith.

Zo lijkt de cirkel van deze studiedag rond te zijn. De kernwoorden: ervaring, antidogmatisme en verandering. Deze kernwoorden en de daaruitvolgende attitudes en filosofische ideeën, die eigen zijn aan het pragmatisme, blijken een grote impact te hebben op hedendaagse problemen.

Wim Van Moer


Literatuurlijst

BRANDOM, R.B. (2002) When philosophy paints it blue on gray: irony and the pragmatist enlightenment, in: Boundary, (29)2, 1-28

BRANDOM, R.B. (2004) The pragmatist enlightenment (and its problematic semantics), in: European Journal of Philosophy, 12(1), p.1-16.

DEWEY, J. (1991) A common faith, New Haven, London, Yale University Press.

HICKMAN, L.A. (1998) Introduction, in: HICKMAN, L.A. (1998) Reading John Dewey. Interpretations for a postmodern generation, Bloomington, Indianapolis, Indiana University Press.

JAMES, W. (1987) The writings 1902-1910, New York, Library of America.

PETERSON, G.R. (2007) Why the new atheism shouldn’t be (completely) dismissed, in: Zygon – Journal of Religion and Science, 42(4), 803-806.

PUTNAM, H. (2001) Enlightenment and pragmatism, Assen, Van Gorcum.

VAN DEN BOSSCHE, M. (2007) Een mogelijke dialoog: Heidegger en het pragmatisme, in: VAN DEN BOSSCHE, M. en BREMMERS, Chr. De actualiteit van Martin Heideggers ‘Zijn en tijd’. Essays ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van Heideggers Sein und Zeit, Budel, Damon.